Begin 2026 droeg plaatsvervangend korpschef van de politie Wilbert Paulissen zijn taak als portefeuillehouder specialistische opsporing over aan Tolga Koklu en Everard van Zuthem. Sinds 2019 begeleidde Paulissen de ontwikkeling die de politie doormaakte op het vlak van – met name – forensische en digitale opsporing. Een gesprek over verandering, normen en balanceren tussen procedures en praktijk.
Wat betekent digitalisering voor de organisatie van de opsporing?
Overal speelt digitalisering een rol en elke politieman krijgt ermee te maken. Dus moeten we daarin investeren, om goed zicht te houden op nieuwe en grootschalige criminaliteit op nationaal niveau en dat te vertalen naar de lokale eenheden. Van oudsher is de politie lokaal georganiseerd. Digitalisering laat zien dat er meer nodig is op organisatievlak. Daar zitten we nu middenin. Dat vraagt van de korpsleiding dat je de eigen organisatie laat wennen aan het feit dat lokale en centrale eenheden geen concurrenten zijn, maar elkaar versterken. We hebben bij de politie enorme believers in de lokale politie. Die lokale focus blijft belangrijk, maar is niet het antwoord op alle uitdagingen waarvoor we staan.
Centralisatie ligt in Nederland per definitie gevoelig, binnen én buiten de politie. Maar het is noodzakelijk kennis en kunde te coördineren, te regisseren en in een gezagskader te plaatsen. Die slag hebben we eerder gemaakt bij cybercrime, omdat iedereen daar de noodzaak zag. De noodzakelijkheid van die stap zien we nu ook op andere terreinen. Dat vraagt van de korpsleiding dat we de lokale politie in stand houden en ook daar digitalisering een plek geven. Maar ook dat we op landelijk niveau een aantal stappen maken. Beide zijn nodig. Ik heb bijna mijn hele loopbaan nationaal en lokaal gewerkt en heb die twee nooit als tegenstelling gezien.
Het nieuwe Wetboek Strafvordering stelt eisen aan de forensische deskundigheid van de politie. Gaat dat jullie helpen?
Normering zorgt dat een rechter ergens op kan terugvallen. Dat geldt ook voor onszelf en ik heb er geen probleem mee. Er zit hooguit een staartje aan, als er angst ontstaat om zaken anders te doen. Daarbij zal ik altijd zeggen: ‘Zo lang je maar goed en navolgbaar verbaliseert.’ Maar die kramp herken ik wel. Er kan soms spanning optreden tussen normen en de opsporingspraktijk.
Neem de ISO-normering 21043. Daar voldoen wij aan en die staat bij ons ook niet ter discussie. Het is goed dat er kwalitatieve standaarden zijn, zodat je kunt zeggen: ‘Dat is volgens die standaard tot stand gekomen’. Dan weet iedereen waar hij aan toe is. Ik heb het onderzoek na de ramp met de MH17 meegemaakt. Toen konden we aan geen enkele forensische norm voldoen. Maar dat is niet erg, mits je uitgebreid elke stap beschrijft die je zet, zodat de rechter kan toetsen of je ordentelijk hebt gewerkt.
Ik moet bij normering denken aan een evenwichtsbalk. Enerzijds zijn er de wettelijke eisen die je stelt en is het de vraag hoe ver je daarin gaat. Dergelijke eisen zijn hard nodig nu digitale sporen en bewijs steeds ingewikkelder worden en er mogelijk sprake is van gemanipuleerde data. Wie gelooft er nou nog wat ie ziet? Dus we moeten manieren blijven vinden om rechters te overtuigen dat we de waarheid zo goed mogelijk in beeld brengen. Aan de andere kant zorgen al die waarborgen en protocollen voor traagheid en bureaucratie. Als je niet oppast, raakt het vakmanschap van de politie daardoor in de verdrukking.
Wat is er bestuurlijk nodig om die digitale stap te kunnen maken?
De politie maakt een slag op digitaal gebied. Van een politiebedrijf met een IT-afdeling lijkt het soms bijna alsof we ons ontwikkelen in de richting van een IT-bedrijf waar ook nog politiemensen werken. Overdreven natuurlijk, maar toch: alles bij ons digitaliseert op dit moment en de korpsleiding moet die beweging aansturen. En niet alleen organisatorisch, want er spelen bijvoorbeeld ook vraagstukken rond privacy. Dat is anders dan vroeger, toen de politie een bedrijf was met redelijk overzichtelijke methodes. Het vraagt om beleid ten aanzien van transparantie en ethiek. We hebben commissies die daarnaar kijken. Ook dat moet je als korpsleiding organiseren om het veranderproces goed te laten verlopen.
Kan het NRGD een rol spelen bij het bestendigen van of reflecteren op forensisch kwaliteitsbeleid binnen de politie?
Zeker. Willen we steeds opnieuw het wiel uitvinden of terugvallen op iets waarvan we weten dat het getoetst is? Daar speelt het NRGD in het hele strafrechtproces een belangrijke rol. De manier waarop het NRGD kijkt naar normen en forensische kwaliteit kan ons dus, bijvoorbeeld in het digitale domein, helpen om te kijken hoe we daar maatstaven voor krijgen die redelijke zekerheid bieden.
Hoe krijg ik een deskundige in het proces? Hoe weet ik nou dat het onderzoek echt deugt? Daar zitten belangrijke aanknopingspunten met ons werk. En bovendien: het NRGD is welkom als kritische vriend. Ik hoor wel eens: ‘De politie komt vooral in beweging door druk van buitenaf.’ Dus misschien hebben we ook weleens een seintje van anderen nodig om in beweging te komen. Omdat we te druk zijn met van alles en nog wat. Dat zou ook gewoon een mooie rol voor het NRGD kunnen zijn.
Wij krijgen regelmatig inspecties op bezoek, maar het zou wel mooi zijn als er mensen zijn die zeggen: ‘We komen jullie niet inspecteren, maar meekijken wat er misschien beter kan.’ Ik vind de inspecties heel zinvol om de vinger op de zere plek te leggen. Alleen leidt dat vaak tot openbare discussies en krijgt het geheel daardoor een andere dimensie. Dan zijn we soms meer bezig de beeldvorming te managen, dan te kijken naar de inhoudelijke kant van mogelijke verbeteringen.
Wat betekent het voor de keten als de politie forensisch meer gaat interpreteren?
Dat raakt een gevoelige snaar. Ik ben van de school: ‘Wij halen sporen op en laten het interpreteren van die sporen aan anderen over.’ Maar die lijn is niet altijd scherp te trekken. Over de scheiding tussen vinden, veiligstellen en interpreteren van sporen zijn al veel discussies geweest en de rechter heeft bijvoorbeeld getoetst of er bij de inzet van Hansken sprake is van navolgbare stappen. Want daar gaat het uiteindelijk toch om. De fysieke wereld lijkt soms een stuk overzichtelijker. Er is een vingerspoor gevonden en wij kunnen dat spoor koppelen aan Piet. Maar wanneer het gaat over wat de positie van dat vingerspoor zegt, of wat de positie van een haar op een lichaam precies zegt, dan krijg je discussie over wie de interpretatie doet en hoever de politie daarin mag gaan. Die discussie voeren we intern ook. Niet zo snel op bestuurlijk niveau, al zou dat misschien wel moeten.
In de digitale opsporing dwingt de enorme hoeveelheid data ons al in de fase dat we sporen verzamelen om te kiezen wat er van belang is en wat niet. Met de hoeveelheid data die je binnenkrijgt is de digitale wereld niet te handelen zonder interpretatie. Dus kijken een officier van justitie, een rechercheur, een digitaal regisseur en een analist naar sporen. Van belang is dat die interpretatie berust op de onderzoeksvraag, zonder een tunnelvisie te ontwikkelen. Welke hypothese onderzoeken we en welke interpretatie op operationeel niveau is daarbij nodig? Je ontkomt er niet aan stukken te interpreteren in de opsporingsfase.
Jullie werken met eigen experts en het NFI, maar ook met private labs. Hoe kijkt de politie naar die ontwikkeling?
De forensische wereld wordt gevarieerder en die ontwikkeling omarmen we. Voor ons fungeert de samenwerking met het TMFI als een versneller. In Nederland gaat het nu maar om één bedrijf en je zou daar misschien nog anderen naast willen hebben. We zien in elk geval dat een commercieel bedrijf overtuigend mee kan werken aan de bewijsvoering in onderzoeken. Maar ook het NFI hoort daar bij. Als overheid kun je in een vast patroon van afspraken en procedures zitten. Als zich dan iemand meldt die zegt: ‘Ik kan die analyse even goed, maar sneller uitvoeren’, ontstaat er een nieuwe dynamiek. De kwaliteit moet natuurlijk in orde zijn, maar dat is allemaal getest. En het kost geld, maar het levert ook winst op. Als er bij een woninginbraak na zes tot acht weken een resultaat binnenkwam op een DNA-spoor, lag het dossier al op de plank. Heb je die informatie na 48 uur, dan krijgt de opsporing een andere dynamiek. Op digitaal gebied zijn we inmiddels minder afhankelijk van private partijen, maar die samenwerking blijft belangrijk voor ons. Er zit daar heel veel kennis, over hoe je digitaal onderzoek doet en hoe systemen in elkaar zitten. Daar kunnen wij goed bij aansluiten. Er zit natuurlijk een wereld van commerciële belangen achter, dat begrijpen we ook wel. Wij hebben een andere positie. Maar dat belemmert niet dat ze ons enorm kunnen helpen. Tegelijkertijd is het in een wereld met zo veel belangen belangrijk dat Nederland beschikt over een onafhankelijk instituut als het NFI.
Je hebt je taak als portefeuillehouder Forensische Opsporing (FO) overgedragen. Wat laat je achter?
Ik denk dat het forensische veld meer in beeld is gekomen, ook bij het bestuurlijke deel van de politieorganisatie. We investeren samen met het OM in digitale processen waarbij de administratieve last van onze rechercheurs stap voor stap wordt teruggebracht en we hebben pilots gedraaid die de doorlooptijd van zaken hebben teruggebracht.
We hebben de laatste tijd echt ingezet op modernisering en versnelling. Beide hebben een impuls gekregen. De kwaliteit van de besluitvorming in het rechercheproces is verbeterd, omdat we vroegtijdig kunnen beschikken over forensische onderzoeksresultaten. De opsporing is nog nooit zo effectief geweest. Tegelijkertijd laat ik ook een wereld achter waarin de druk op onze FO-collega’s nog steeds erg groot is. Toen ik eind 2019 startte als portefeuillehouder was FO minder zichtbaar en kregen de forensische systemen en diensten van de politie minder aandacht. Nu zetten we noodzakelijke stappen naar minder laboratoria in Nederland om onze deskundigheid te concentreren. Dat zorgt voor onrust bij collega’s die in de laboratoria werken, maar iedereen ziet dat het een noodzakelijke volgende kwaliteitsstap is. Het team dat hieraan werkt, onderhoudt ook een goede verbinding met het veld en dat helpt.
Dit artikel verscheen eerder in Expertise & Recht, editie 3 (2026).