Jan de Keijser is hoogleraar criminologie bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Universiteit Leiden en één van de redacteuren van het handboek rechtspsychologie . Begin 2026 nam hij na 8 jaar afscheid als collegelid van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Met flinke tegenzin, want hij genoot van het werk voor het Register. Een gesprek over aannemelijkheid en risicotaxatie.

‘Ik ben een politicoloog die als onderzoeker is beland in de criminologie op het terrein van waarheidsvinding en straffen. Ik sta met één been in de rechtspsychologie en met het andere in de rechtvaardiging en effecten van straf.’

‘Ik ben acht jaar lid geweest van het NRGD en ik overdrijf niet: elke vergadering, elke inhoudelijke sessie was leuk. Of het nou ging om een collegevergadering, of afspraken met mensen van het bureau. Er zit bij het NRGD zoveel kennis aan tafel, van de politie en het openbaar ministerie (OM) tot de zittende magistratuur en de wetenschap. Die samenstelling stond garant voor goeie discussies. Natuurlijk over registraties, maar ook over allerlei andere inhoudelijke onderwerpen, zoals waarheidsvinding, het thema dat als een rode draad door mijn werk loopt. Ik ben bijvoorbeeld op dit moment bezig met een project over de interpretatie en de verbetering van likelihood-ratio’s dat ik doe met mensen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).’

Hebben we het bij likelihood-ratio’s dan letterlijk over getallen?

‘Ja, onder andere. Het gaat om kwantitatieve uitdrukkingen in technisch-forensische gebieden. Zo’n cijfer drukt de waarschijnlijkheid uit van een onderzoeksbevinding onder verschillende hypotheses. Bijvoorbeeld de waarschijnlijkheid van een uitslag onder de hypothese dat verdachte de donor is van bepaald biologisch materiaal, tegenover de waarschijnlijkheid onder de hypothese dat het van iemand anders komt. Dat kun je uitdrukken in een aannemelijkheidsverhouding. Een cijfer.

Wij zijn als gewone mensen niet gewend te denken in dat soort getallen en verhoudingen. Daarin schuilt dus een risico. In cursussen aan rechters en officieren hamer ik er ook op dat ze weerstand bieden aan de neiging om gelijk door te bladeren naar de conclusie. Je moet ook de vraagstelling erbij betrekken. Is die beantwoord in het rapport en sluit de conclusie daarbij aan? Daarvoor hoef je niet de technische expertise van de auteur te hebben, maar het vergt wel meer dan alleen een conclusie lezen. Je moet het rapport tot je nemen en begrijpen hoe dat is opgebouwd. Deskundigen maken nu eenmaal keuzes en bij sommige daarvan kun je kritische vragen stellen. Dat gebeurt nog te weinig. Er zit een rapport van een deskundige in het dossier en dat wordt vaak voor kennisgeving aangenomen. Maar registratie bij het NRGD is geen garantie dat de deskundige in een concreet geval goed werk heeft geleverd. Die moet duidelijk maken dat hij of zij deskundig is voor de beantwoording van de onderzoeksvraag. Daarom zit bijvoorbeeld in veel rechtspsychologische rapportages een CV van de betrokken deskundige.’ 

Speelt de vorm van een rapport nog een rol?

‘Dat denk ik wel. Ook daarin zit verschil tussen de deskundigheidsgebieden. Neem DNA-onderzoek op bronniveau, dat zijn gestandaardiseerde rapporten, met vaste tekstblokken en tabellen met resultaten uit de DNA-straat. Daar komt bijna geen mens meer aan te pas. Niet erg uitnodigend om te lezen. Maar je moet wél weten hoe zo'n rapport in elkaar zit.’

Hoe is dat bij rechtspsychologie? Worden die rapporten beter gelezen?

‘Ja, dat denk ik wel. Dergelijke rapporten staan in technische zin veel minder ver af van de (juridische) gebruiker. Maar niet alle rechtspsychologen schrijven hun rapporten in dezelfde vorm, of ze nu wel of niet in het NRGD geregistreerd staan. Er zijn overeenkomsten en verschillen en die willen we de komende tijd onderzoeken. Rechtspychologie ligt de afgelopen jaren onder een vergrootglas, door zaken waarin verschillende rechtspsychologen hebben gerapporteerd en tot verschillende conclusies kwamen. Op zichzelf hoort dat bij wetenschap: mensen spreken elkaar tegen, of zijn kritisch op elkaar. Maar in de Nederlandse strafrechtpraktijk zijn we dat niet gewend. Er komen maar heel weinig deskundigen op zitting en het gebeurt zelden dat er meer dan één deskundige in een zaak optreedt, laat staan dat die tot verschillende oordelen komen. Maar ook bij rechtspsychologie kunnen verschillende deskundigen dingen anders wegen. Het gebied is geen DNA-straat waar je biologisch materiaal instopt en er altijd hetzelfde uit komt. Daarom is het belangrijk overeenstemming te hebben over wetenschappelijke kennis en methoden. Juist omdat de deskundigen daarover soms van mening verschillen, is het goed de motorkap open te doen en met elkaar over onderzoeksmethodes en consensus te praten.’

Bij forensische methodes spelen Artificial Intelligence (AI) en algoritmes inmiddels een toenemende rol. Hoe kijk jij daar tegenaan?

‘Bij risicotaxatie door een forensisch psycholoog of psychiater worden instrumenten gebruikt die zijn gebaseerd op algoritmes. De statische en dynamische factoren die men registreert leveren via die algoritmes een bepaalde score op. Nou is het voor zover ik weet niet zo dat die score ook één op één in een rapport komt. Er gaat nog een klinische blik en een weging door de psycholoog of de psychiater overheen, maar toch. 

Het probleem is dat die risicotaxaties er best vaak naast zitten. Het probleem zit vooral in de fout-positieve voorspellingen: veel niet-recidivisten krijgen wel een hogere risicoscore. Maar de rechter wordt niet echt geïnformeerd over degelijke foutmarges. Dus neemt de rechter een beslissing over straffen en maatregelen op basis van een risicotaxatie die een combinatie is van een risicotaxatie-instrument en een klinische blik, zónder te weten wat de foutmarges zijn van die risicotaxatie-instrumenten. Ik pleit ervoor dat een deskundige de rechter ook daarover informeert. Dat wordt vaak niet meegegeven. En rechters zijn zelf ook niet gewend daarnaar te vragen: ‘Je zegt nou wel ‘het risico is hoog’, maar hoe betrouwbaar is die inschatting?’

Maar ja: beter heb je niet en er moet wel een vonnis komen.

‘Dat is het probleem van de rechter. Als die moet beslissen in een concrete zaak waarin risicotaxatie een rol speelt, dan ben ik wel benieuwd of die rechter in zijn oordeelsvorming aan de risicotaxatie een ander gewicht toekent als hij weet wat de foutmarges van die methode zijn. Ik weet ook niet of we die taxatie-instrumenten veel verder kunnen verbeteren. Er wordt veel onderzoek gedaan waarin dat wordt geprobeerd en risicotaxaties worden beter. Maar nog steeds is het zo dat bij de meeste risicotaxatie-instrumenten die foutpositieven een aanzienlijke categorie zijn. Dan gaat het dus om mensen die niet recidiveren, maar wel ingeschaald worden met een hoog risico. Dat lijkt mij bijzonder relevante informatie voor de rechter want er worden beslissingen op gebaseerd over straffen en maatregelen met vergaande consequenties voor betrokkenen.’

Is onderzocht waarom iemand met een hoge risicotaxatie toch niet recidiveert?

‘Dat kan allerlei redenen hebben, maar er spelen in ieder geval twee factoren mee. Enerzijds spelen de bekende ‘drie W's’ uiteraard een rol: woning, werk en wederhelft. Daarnaast is leeftijd een factor. Je ziet een leeftijdscriminaliteitscurve, met een piek rond de adolescentie die daarna afneemt. Mensen krijgen bindingen, andere dingen worden belangrijk en het brein is uitgerijpt. Dat zijn redenen waarom mensen stoppen met crimineel gedrag. En veel van die redenen zitten in risicotaxatie-instrumenten, maar risicotaxatie is geen exacte wetenschap. Het is niet zo dat als je op de leeftijdsknop drukt, dat altijd hetzelfde oplevert. Er zijn statische en dynamische risicofactoren. Statische risicofactoren zijn factoren die je niet kan veranderen. Ook die hangen statistisch samen met crimineel gedrag. De meeste risicotaxatie instrumenten combineren statische en dynamische, veranderbare, factoren, maar dat laat nog steeds ruimte voor weging en interpretatie. Daarom vinden wij het in Nederland belangrijk dat een psycholoog of psychiater een klinische blik toevoegt aan zo’n taxatie. Maar wat die dus niet doet, is bij het rapporteren tegen de rechter zeggen: ‘Let op. We weten uit onderzoek dat de foutmarges van dit instrument substantieel zijn.’ We hebben in Nederland een procescultuur, waarbij een risicotaxatie van een forensisch psychiater of een psycholoog in een rapport komt. Dat rapport komt in het dossier en de rechter leest dat dossier ter voorbereiding op de zaak, maar ziet de deskundige zelden op zitting. Deskundigen wordt zelden opgeroepen op zitting en als dat wel gebeurt vraagt de rechter niet standaard: ‘Wat kunt u zeggen over de validiteit van het gebruikte instrument? In de meer accusatoire rechtssystemen is het gebruikelijker dat deskundigenbewijs op zitting wordt gepresenteerd en komt het vaker voor dat er tegendeskundigen zijn. Dan hoopt de rechter dat door een battle of the experts de echte waarheid boven komt drijven. Niet dat zo’n systeem per se beter is, maar de rechter en de procespartijen hebben in zo’n situatie wel meer mogelijkheden om kritische vragen aan een deskundige te stellen. Nu borgen we die deskundigheid in algemene zin door registratie in het NRGD maar dat zegt lang niet alles over de rapportage en adviezen in een concrete strafzaak.’

Beïnvloedt die registratie hoe procespartijen kijken naar het NRGD?

‘Het verschilt per procespartij en trouwens ook daarbinnen hoe er tegen het NRGD wordt aangekeken. Het NRGD en de toetsingscommissies gaan ongelooflijk consciëntieus om met aanvragen om registratie en de beoordeling en eventuele bezwaren of procedures. Mensen van buiten, dus niet-NRGD geregistreerde deskundigen of gebruikers van rapportages, zien dat niet. Als er een deskundige optreedt die niet is geregistreerd bij het NRGD of niet geregistreerd dreigt te worden, dan heerst er vaak onbegrip bij de rechtspraak: ‘Hoe kan dat nou? Dit is een ervaren deskundige en hoe kan hij of zij nou niet worden geregistreerd?’ Het NRGD weet hoe dat allemaal is gegaan. En dat het proces heel zorgvuldig is doorlopen, zonder dat er sprake is van partijdigheid, scholenstrijd of wat dan ook. Maar dat beeld kan door buitenstaanders wel worden geschetst. Dat vind ik ingewikkeld. Want waar we juist van af willen is de notie ‘We kennen deze meneer of mevrouw al jaren, dat zit dus wel goed.’

Zijn er nog onderdelen waar het NRGD en het veld nog met elkaar aan werken?

‘Dat hangt samen met de rolopvatting van het NRGD. Als je het hebt over specifieke deskundigheidsgebieden, lijkt het veld van forensische deskundigheid behoorlijk uitgekristalliseerd. Of je moet in nichegebieden investeren, maar de belangrijkste gebieden zijn genormeerd of bijna zover. Wellicht is er een rol voor het NRGD als kennisplatform. Dat vind ik heel interessant. Geen wettelijke taak, dus daar ligt echt een uitdaging: hoe kunnen we die rol gaan spelen? Want ik denk dat het NRGD goed is uitgerust om zo’n rol te spelen, een kennishub te worden en bij te dragen aan hoe deskundigenrapportages worden gebruikt in de rechtspraktijk. Begrijpen rechters de rapportages? Weten ze welke vragen ze moeten stellen? Nu zit het NRGD vooral op de kwaliteit van de deskundigen. En daarna is het aan de rechtspraak. Ik denk dat het NRGD als kennisplatform kan bijdragen aan beter gebruik van forensische deskundigheid in de rechtspraktijk.

Er is een SSR cursus die ik met verschillende collega’s verzorg, die vroeger ‘Magistratuur en deskundigen’ heette en nu ‘Rechtspreken met deskundigen’. Daar gaat het over hoe je nou omgaat met een deskundige als je een deskundige vraagt op/ oproept ter zitting. Wat voor vragen stel je dan? In de opleiding van praktijkjuristen, dus bij rechters en officieren in opleiding, zit weinig wat hier relevant voor is. Basale methodologische kennis: hoe doe je onderzoek? Wat betekenen validiteit en betrouwbaarheid? Hoe ga je om met deskundigenconclusies? Dat zit niet in de opleiding en daar is heel veel te winnen. We merken ook vaak dat rechters aan het begin van die cursus een beetje cynisch zijn: ‘Wat moeten we hiermee? Hoe kunnen we nou kritische vragen stellen als we de technische kennis niet hebben? En aan het eind van een tweedaagse cursus zeggen ze: ‘Dit gaan we gelijk toepassen.’ Via de SSR bereiken we nu nog maar een handvol praktijkmensen, maar ik denk dat daar echt winst te boeken valt.’