Ter gelegenheid van het vijftienjarige bestaan van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen vond op 8 oktober 2025 in Den Haag een symposium plaats met de titel ‘Forensische kwaliteit in een veranderend veld’. Aan mij was gevraagd daaraan bij te dragen vanuit een blik op de totstandkoming en ontwikkeling van het NRGD in de bredere context van de rechtspleging in het strafrecht, civiele recht en bestuursrecht.
Bij ontwikkelingen die voorafgingen aan de totstandkoming van het NRGD was ik nu en dan betrokken. Activiteiten die verband houden met het waarborgen van de kwaliteit van de inbreng van deskundigen in de rechtspleging hebben mijn belangstelling. Het is als een puzzel met een ongekend aantal puzzelstukjes dat een rechter, die niet mag weigeren te beslissen, wordt geacht ingrijpende beslissingen in de leefsituaties van mensen en organisaties te kunnen nemen met gebruik van informatie van derden, ook als de rechter die niet volledig kan doorgronden (1) Het past in de democratische rechtsstaat dat deskundigen in een behoorlijke rechtspleging een rol kunnen vervullen. In de rechtspraktijk vormt de uitwisseling van informatie tussen partijen, deskundigen en de rechter van oudsher (2) een uitdaging.
Mijn mondelinge bijdrage aan het symposium is hierna bewerkt tot een schets van reflecties op die puzzel. De kern ervan is dat ik de mijlpaal van vijftien jaar NRGD beschouw als een belangrijk moment in het veld waarin rechters, deskundigen en andere beroepsbeoefenaren een rol vervullen in een behoorlijke rechtspleging. Dat veld is en wordt door het NRGD verrijkt. In de schets betrek ik de aanloop naar de totstandkoming van het NRGD en enkele kwaliteitsaspecten van de inzet van deskundigen in de rechtspleging ook buiten het strafrecht. Daarin komt naar voren dat in Nederland als vanzelfsprekend wordt beschouwd dat rechtspraak mede op basis van betrouwbare deskundigenrapporten moet kunnen plaatsvinden, maar als minder vanzelfsprekend wie hiervoor in het publieke en private domein verantwoordelijkheid dragen. In het verlengde signaleer ik her en der wat punten waar het veld mogelijk verder valt te verrijken.
1. Asser betoogt dat de taak van de rechter meebrengt dat de rechter geen beslissingsruimte bij de deskundige inlevert, maar de verantwoordelijkheid aanvaardt voor de uitspraak over de zaak die (mede) op een deskundig oordeel is gebaseerd (W.D.H. Asser, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht. 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023/179).
2. Zie bijv. G. de Groot, Het deskundigenadvies in de civiele procedure (diss. VU Amsterdam), Deventer: Kluwer 2008, par. 3.3.
Uitwisseling van informatie tussen rechter en deskundige
Rechtspraak in strafzaken, civiele zaken en bestuursrechtelijke zaken gaat over situaties van mensen en organisaties waarin feiten, rechtsregels en rechtsgevolgen samenkomen. Bij de behandeling van zaken neemt de rechter beslissingen die deels feitelijk en deels juridisch van aard zijn. Sommige beslissingen zijn louter feitelijk of louter juridisch. Veelal zijn rechterlijke beslissingen gemengd feitelijk en juridisch. Zo is de vraag of mishandeling bewezen wordt verklaard, gemengd feitelijk en juridisch: vooral feitelijk voor zover het gaat om de toedracht van de gebeurtenis die in de tenlastelegging is omschreven, en vooral juridisch voor zover wordt beoordeeld of de elementen van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen zijn en of mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr bewezen wordt verklaard. Al bij de vaststelling van feiten die relevant zijn voor de beslissing worden rechtsregels toegepast, zoals procedurele regels en regels van bewijsrecht. De beslissing over de rechtsgevolgen komt voort uit de toepassing van rechtsregels op vastgestelde feiten. De (motivering van de) beslissing moet berusten op het recht en controleerbaar en aanvaardbaar zijn.
In elke fase van de behandeling en beslissing van een zaak door de rechter kan zich voordoen dat onvoldoende kennis aanwezig is om feiten te verzamelen en op te helderen, of om de feitelijke of juridische betekenis van bepaalde feiten of omstandigheden te duiden. Uitgangspunt van het Nederlandse rechtssysteem is dat de rechter dan een beroep kan doen op een deskundige. Dit is mogelijk in alle rechtsgebieden, zoals strafrecht, familie- en jeugdrecht, civiel recht, fiscaal recht en bestuursrecht. (3)
3. Overeenkomsten en verschillen tussen deskundigenonderzoek in het kader van bewijsverzameling en persoonlijkheidsonderzoek in het kader van informatieverzameling met een ander doel dan bewijslevering komen in deze bijdrage niet afzonderlijk aan de orde.
Een veld met dilemma’s in vogelvlucht
Beperkte regeling van deskundigeninbreng
De Nederlandse wetgeving laat vanouds grotendeels aan de rechtspraktijk over wie als deskundigen een rol kunnen vervullen in een procedure bij de rechter. (4) Tot het einde van de twintigste eeuw werden in rechterlijke uitspraken nauwelijks eisen gesteld aan de kwaliteit van de inbreng van deskundigen in een rechtszaak. Dergelijke eisen kwamen tot ontwikkeling via tuchtrechtspraak, bijvoorbeeld ten aanzien van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en de accountancy. In het strafrecht, civiele recht en bestuursrecht werden wel eisen gesteld aan de motivering van rechterlijke uitspraken die tot stand waren gekomen met behulp van inbreng van deskundigen. Die eisen berusten op wetgeving en (vaste) rechtspraak. Daarin zijn algemeenheden uit het bewijsrecht en de waarheidsvinding te herkennen, zoals juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van informatie. Een grondgedachte daarbij is dat rechtspraak geschiedt op basis van de waarden, de beginselen en het recht van een democratische rechtsstaat. (5) Rechtspraak is niet alleen in het recht verankerd, maar moet ook (blijven) aansluiten bij de (veranderende) werkelijkheid, (6) wat de titel van het NRGD-symposium treffend verwoordt.
Slechts in bepaalde situaties werden (en worden) specifieke eisen aan een bepaald type informatie gesteld, zoals de eis dat gedwongen opneming in een instelling (7) of het gelasten van terbeschikkingstelling (8) berust op informatie van personen met een bepaalde hoedanigheid, bijvoorbeeld een psychiater. De veronderstelling is bij zulke voorschriften vaak tweeledig: in het kader van een goede zaaksbehandeling is er behoefte aan informatie die de rechter op basis van zijn vakinhoudelijke deskundigheid niet (volledig) zelf kan verzamelen, ophelderen of duiden, en de rechtsbescherming van de betrokken persoon wordt gediend met het stellen van formele eisen aan (geneeskundig) onderzoek waaraan een persoon in het kader van een rechtszaak kan worden onderworpen.
4. Visser pleit voor een (formele) definitie van het begrip ‘deskundige’ (M. Visser, De deskundige in het recht (diss. OU), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2023, hfdst. 2).
5. In Nederland gelden de waarden van de democratische rechtsstaat zoals verankerd in art. 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie: ‘De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, nondiscriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.’
6. Vgl. bijv. de rapporten van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ‘De toekomst van de nationale rechtsstaat’ uit 2001, p. 193, en ‘Speelruimte voor transparantere rechtspraak’ uit 2013.
7. Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.
8. Art. 37a Sr.
Toenemende complexiteit
Toen de maatschappij in complexiteit toenam onder invloed van individualisering, globalisering en technologische ontwikkelingen, werden ook het recht en de rechtspraak in alle rechtsgebieden complexer. Bovendien werden recht en rechtspraak complexer toen de gelaagde rechtsorde opbloeide, waarin het Nederlandse recht is vermengd met het recht van de Europese Unie, met de directe werking van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en met de werking van andere internationale verdragen via de artikelen 93 en 94 Grondwet (Gw).
In de gelaagde rechtsorde in Europa voltrekt zich inmiddels ook een ontwikkeling die wel wordt aangeduid als de constitutionalisering van het recht, kort gezegd een ontwikkeling waarin grondrechten inwerken op het procesrecht en het materiële recht ten gunste van een goede rechtsbedeling en de rechtsbescherming van betrokkenen. Een voorbeeld hiervan vormen de eisen van een eerlijk proces bij een onafhankelijke rechter, die via artikel 6 EVRM in Nederland uiteindelijk in artikel 17 lid 1 Gw zijn neergelegd.
Het werd er niet eenvoudiger op om op basis van vak-inhoudelijke deskundigheid feiten op een vakgebied waarop de rechter, officier van justitie of advocaat niet deskundig is, te verzamelen, op te helderen of te duiden. Betekende het bieden van een eerlijk proces bijvoorbeeld dat een deskundige zelf, evenals de rechter, naar de procespartijen het beginsel van hoor en wederhoor moest gaan naleven? (9) Ook deden zich situaties voor die de kwaliteit van oordeelsvorming van rechters en deskundigen in de schijnwerper plaatsten. In Nederland betrof dat voornamelijk strafzaken. Op het veld waarop rechters en deskundigen allebei werkzaam zijn, vindt kruisbestuiving van informatie plaats. Het duiden van informatie van deskundigen in rechterlijke oordeelsvorming is een menselijke bezigheid. De kans op ontoereikende of zelfs falende menselijke oordeelsvorming kan wel worden beperkt, maar niet worden uitgesloten.
9. Op een deskundige is art. 6 lid 1 EVRM niet rechtstreeks van toepassing, zie EHRM 13 december 2022, 77039/12 (Test- Achats/België). Zie ook: G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, Deventer: Kluwer 2025, par. 5.5.2.
Toenemende aandacht voor kwaliteitsaspecten
Al met al kwam er steeds meer aandacht voor drie kwesties in die kruisbestuiving van informatie tussen rechter en deskundige: wie kan als deskundige in een rechtszaak optreden, welk soort vragen van rechters aan deskundigen bevordert de kans dat beslissingen van rechters aan de eisen van rechtspraak in de democratische rechtsstaat voldoen, en hoe kan worden bevorderd dat de rechter de van deskundigen verkregen informatie juist en begrijpelijk in beslissingen in zaken verwerkt?
Er ontstond in de rechtspleging een bredere behoefte aan meer inzicht in de eisen waaraan een rechterlijke uitspraak moet voldoen als daarin informatie van een of meer deskundigen wordt gebruikt. In beroepsgroepen waaruit deskundigen bij de rechtspraak werden betrokken, was behoefte aan meer inzicht in de rol van een deskundige in een procedure bij de rechter. Deze kwesties en behoeften raken zowel aan gedrag als rechtsregels.
Zo kwam er een ontwikkeling in de richting van gedragscodes, toezicht op de inzet van deskundigen in de rechtspleging, rechtsregels voor het optreden als deskundige in een rechtszaak en rechtsregels voor het benoemen van een persoon als deskundige in een rechtszaak. Die ontwikkeling vond in Nederland door de jaren heen plaats in zowel het civiele recht, het strafrecht als het bestuursrecht, voornamelijk op initiatief van zowel juristen als personen die als deskundigen in de rechtspleging werkzaam waren.
Andere knelpunten
Andere knelpunten in de uitwisseling van informatie tussen rechter en deskundige in een rechtszaak betroffen kwesties die meer over het proces gaan, of die niet bevorderlijk waren voor een soepele rechtspraktijk in gevallen waarin informatie van een deskundige in de rechtspleging wordt betrokken. Zo is in het proces van totstandkoming van deskundigenrapporten van belang dat een deskundige in een civiele of bestuursrechtelijke zaak geen onderdeel wordt van het conflict of geschil, en in een strafzaak niet buiten zijn rol treedt. Deskundigen kunnen worden geconfronteerd met reële klachten van een partij, belanghebbende of verdachte over de werkzaamheden van de deskundige, maar ook met klachten zonder redelijke grond. Voor een deskundige die als beroepsbeoefenaar is aangesloten bij een instantie voor gedragstoezicht of tuchtrecht, kan dat gepaard gaan met een klacht- of tuchtprocedure. Dat bevordert in het algemeen niet de bereidheid om door de rechter in een zaak als deskundige te worden benoemd. Klachten tuchtprocedures konden een voorbode zijn van een civielrechtelijke aansprakelijkheidsprocedure. Zijn de kosten van rechtsbijstand en het aansprakelijkheidsrisico van een deskundige verzekerbaar of op andere wijze te beperken? (10) Onvrede van een partij kan het verloop of de uitkomst van het deskundigenonderzoek betreffen, maar ook de duur of de kosten ervan. Voor de duur en het begroten van de kosten van een deskundigenonderzoek waren en zijn nauwelijks regels, (11) terwijl doelmatigheid en voortvarendheid van deskundigenonderzoek van belang zijn in het kader van de eisen van een eerlijk proces binnen redelijke termijn tegen aanvaardbare kosten. (12)
Het was lang onduidelijk naar welke maatstaf moet worden beoordeeld of een deskundige civielrechtelijk aansprakelijk is voor eventuele tekortkomingen in het deskundigenonderzoek of het deskundigenrapport. Kan elke tekortkoming tot civiele aansprakelijkheid leiden, of moet een deskundige het wel heel bont hebben gemaakt? Hierover is in 2022 meer duidelijkheid gekomen: het betreft de gebruikelijke maatstaf voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van een beroepsbeoefenaar. Dat betekent dat het erom gaat of een deskundige heeft gehandeld in strijd met wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in de omstandigheden van het geval mocht worden verwacht. (13) Bepaald niet elke fout of vergissing in het deskundigenonderzoek of het deskundigenrapport leidt tot civiele aansprakelijkheid, nog daargelaten dat in geval van aansprakelijkheid voor schadeplichtigheid nog is vereist dat de gepretendeerde schade het gevolg is van het optreden van de deskundige.
10. Zie bijvoorbeeld: G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, Deventer: Kluwer 2025, par. 3.4.3.
11. Zie over de kosten: Besluit tarieven in strafzaken 2003; G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, Deventer: Kluwer 2025, hfdst. 7.
12. Vgl. bijvoorbeeld R.A. Hoving, ‘Boekbespreking van: M. Visser, De deskundige in het recht. Een interne rechtsvergelijking van de normering van deskundigeninbreng in het straf- , privaat- en bestuursrecht’ (diss. OU), Delikt en Delinkwent 2025 (7), 553‑560.
13. HR 14 oktober 2022, ECLI: NL:HR:2022:1445, NJ 2022/329, JA 2023/48, m.nt. G.T. Poolman.
Registerontwikkelingen
Initiatieven
Geleidelijk kwamen er initiatieven om te komen tot registers waarin gegevens over deskundigen konden worden opgenomen en vraag en aanbod elkaar gemakkelijker zouden kunnen vinden. Ook ontstonden initiatieven om opleidingen te creëren waarin mensen meer vertrouwd kunnen raken met de rol van deskundige in een rechtszaak en enige kennis kunnen opdoen van de rechtsregels die gelden in juridische procedures. Een dergelijk opleidingsaanbod bestaat bijvoorbeeld bij SSR (Opleidingscentrum Rechtspraak en OM), het Nederlands Forensisch Instituut, en de Universiteit Leiden (Specialisatieopleiding Gerechtelijk Deskundige).
Een belangrijk aspect in deze initiatieven was de breed gedeelde wens om platformen te creëren waarin juristen en deskundigen mondeling kennis en ervaringen konden uitwisselen, in een dialoog vanuit het belang van kwaliteitsborging van de inzet van deskundigen in de rechtspleging. Aanvankelijk betrof het vooral particuliere initiatieven. De publieke belangstelling werd getriggerd toen via herzieningsverzoeken in strafzaken tot uitdrukking kwam dat de kruisbestuiving van informatie tussen rechter en deskundige kon uitmonden in rechtspraak die onvoldoende aansloot bij de werkelijkheid. Zowel rechterlijke oordeelsvorming in een zaak als de daaraan ten grondslag gelegde deskundigenrapporten bleken op goede gronden betwistbaar te kunnen zijn. De vraag kwam op in hoeverre de verantwoordelijkheid voor de kwaliteitsborging van deskundigenrapporten, die in een goede zaaksbehandeling hoofdzakelijk moet worden gewaarborgd door de deskundige die een rapport opstelt en de rechter die er gebruik van maakt, in bredere zin deel uitmaakt van een vorm van de stelselverantwoordelijkheid voor de rechtspleging, zoals die van een bewindspersoon die volgens de Comptabiliteitswet stelselverantwoordelijk is voor een behoorlijke rechtspleging, en/of van personen met bestuurlijke verantwoordelijkheid in de rechterlijke organisatie.
Wetgeving voor strafzaken
Uiteindelijk heeft de wetgever aanleiding gezien om de wettelijke regeling van de deskundige in het strafproces uit te breiden en aan te vullen. Over het conceptwetsvoorstel voor een Wet deskundige in strafzaken werden geconsulteerd de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, het College van procureurs-generaal, de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raad van Hoofdcommissarissen. Deze adviezen onderschreven de noodzaak van de totstandkoming van een uitgebreidere regeling van de deskundige. (14)
Wat het deskundigenonderzoek in strafzaken betreft, was de bedoeling van de voorgestelde regeling om op het niveau van de goede zaaksbehandeling de verantwoordelijkheid voor het gebruik van deskundigenrapporten (door gerechten, openbaar ministerie en advocatuur) te voorzien van regels over de taak van en opdracht aan de deskundige, en van regels over de reikwijdte van deskundigenonderzoek. Op het niveau van de stelselverantwoordelijkheid voor de kwaliteitsborging van deskundigenrapporten werden kwaliteitseisen voor deskundigen voorzien alsmede de inrichting van een deskundigenregister. Hieruit is het Nederlands Register voor Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) voortgekomen. In de regelgeving betrof het wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en nieuwe lagere regelgeving (algemene maatregelen van bestuur). Daarnaast was de bedoeling met de voorgestelde regeling de positie van de rechter-commissaris te versterken door middel van bevoegdheden buiten het gerechtelijk vooronderzoek, en de positie van de verdediging te versterken door informatieverstrekking over deskundigenonderzoek en mogelijkheden voor het verzoeken van tegenonderzoek. (15)
Het NRGD is dus in essentie opgericht om de kwaliteit van de inzet van deskundigen in de rechtspraak te waarborgen, hoofdzakelijk via registratie van deskundigen voor deskundigheidsgebieden die zijn opgenomen in het register op basis van opleiding, permanente educatie, toetsing of erkenning van een opleiding of toets, en herregistratie. Daarnaast kent het NRGD een voorziening voor ‘ad hoc-deskundigheid’, als handreiking voor kwaliteitswaarborging op deskundigheidsgebieden die niet in het register zijn opgenomen.
14. Kamerstukken II 2006/07, 31116, nr. 3, p. 2.
15. Zie voor een verkennende studie naar ervaringen met het inschakelen van deskundigen door de verdediging: N. Kaesler, R. Horselenberg, D.V.A. Brouwer & K. van den Doel, ‘De inzet van deskundigen door de verdediging’, NJB 2025/66.
Andere rechtsgebieden
In de aanloop naar de totstandkoming van het NRGD was bekend dat een vergelijkbare behoefte aan kwaliteitswaarborging speelde in andere rechtsgebieden. Van diverse zijden is aandacht gevraagd voor het belang van een overheidsregeling over kwaliteitseisen voor deskundigen en om een deskundigenregister aanstonds te betrekken op meer rechtsgebieden dan het straf-( proces)recht. Daar kwam het destijds niet van. Dat was best begrijpelijk. Er waren in het bestuursrecht en het civiele recht op dat moment ontwikkelingen gaande om via particulier initiatief of initiatief uit de rechterlijke organisatie tot verbetering van kwaliteitsborging en deskundigenregisters te komen. Onder andere werd vanuit een stichting het Landelijk Register Gerechtelijk Deskundigen (LRGD) ontwikkeld. De rechterlijke organisatie kende de Deskundigenindex (DIX). Medisch deskundigen verenigden zich in de Werkgroep Medisch Specialistische Rapportage (WMSR) die in 2009 uitmondde in de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage (NVMSR). Ondanks de maatschappelijke aandacht voor (herziening in sommige) strafzaken, sprak het nog niet voor zich dat de stelselverantwoordelijkheid voor een behoorlijke rechtspleging mede omvat dat rechtspraak moet kunnen plaatsvinden op basis van betrouwbare deskundigenrapporten.
Het bleek zonder verbreding naar andere rechtsgebieden dan het strafrecht gecompliceerd genoeg om een regeling over kwaliteitsborging en registratie van deskundigen op te zetten die op draagvlak in het parlement, de strafrechtspraktijk, de beroepsgroepen van deskundigen en de wetenschap kon rekenen. Zo bepleitte de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in een brief aan de Minister van Justitie dat ‘wetenschappelijke deskundigen’ niet in het register zouden behoeven te worden opgenomen om in strafzaken te kunnen blijven rapporteren. (16) Bij de KNAW bestond de vrees dat de toetsing op basis van de criteria geformuleerd door de verschillende beroepsgroepen of disciplines tot gevolg zou hebben dat vooral deskundigen met beperkte wetenschappelijke kennis in het register zouden worden opgenomen en dat ten onrechte een tweedeling zou ontstaan tussen geregistreerde en niet geregistreerde deskundigen. Het antwoord van de Minister van Justitie ging daarin niet mee. Het bevatte een gedegen toelichting op de bedoeling van de voorziene regeling. Het gaf blijk van inzicht in gevoeligheden die gepaard gingen met de opkomst van de opvatting dat stelselverantwoordelijkheid voor een behoorlijke rechtspleging mede betrekking heeft op kwaliteitsborging van bij rechtspraak benodigde deskundigenrapporten. Het antwoord bevatte ook een uitnodiging aan de KNAW om deel te nemen aan de dialoog over en ontwikkeling van die kwaliteitsborging. (17)
De Wet deskundige in strafzaken kwam tot stand op 22 januari 2009 (18) en het Besluit register deskundige in strafzaken op 18 juli 2009, (19) bijna twee jaar na de indiening van het wetsvoorstel op 6 augustus 2007. (20) De inwerkingtreding vond plaats op 1 januari 2010. Daarmee kon de ontwikkeling van het NRGD gestalte gaan krijgen. Het College gerechtelijk deskundigen dat het bestuur over het NRGD voert, is een zelfstandig bestuursorgaan. Conform artikel 39 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt elke vijf jaar de doel matigheid en doeltreffendheid geëvalueerd. Inmiddels zijn onder auspiciën van het WODC twee evaluatierapporten verschenen, in 2014 en 2020. (21) De kwaliteit van de bijdrage van het NRGD op het gebied van normering, toetsing en registratie van deskundigen wordt positief gewaardeerd.
16. Brief van 30 juli 2008 van de KNAW aan de Minister van Justitie, bijlage bij Kamerstukken I 2008/09, 31116, D.
17. Brief van de Minister van Justitie aan de KNAW, bijlage bij Kamerstukken I 2008/09, 31116, E.
18. Stb. 2009, 33.
19. Stb. 2009, 330.
20. Stb. 2009, 351.
21. Zie, met verdere verwijzingen: Rapport WODC: evaluatie van het NRGD
Toegang tot een deskundigenregister en openbaarheid
De particuliere en publieke initiatieven in het kader van kwaliteitsborging en registerontwikkelingen hadden gemeen dat zij naast de kwaliteit van de informatievoorziening in deskundigenrapporten en de kwaliteit van het gebruik ervan in rechtspraak nog twee andere onderwerpen adresseerden, namelijk de toegang tot het vinden van deskundigen door de rechter en procespartijen (zoals in strafzaken de verdediging en het openbaar ministerie) en de toegang voor deskundigen tot een ingang voor het aanbod om een rol als deskundige in de rechtspleging te vervullen. Wat dit onderwerp toegang betreft, was bij de ontwikkeling van kwaliteitseisen en de gedachtevorming over de inrichting van een deskundigenregister een uitgangspunt dat in Nederland een persoon die deskundig is op een vakgebied waarop behoefte bestaat aan deskundigenrapporten ten behoeve van de rechtspleging, zelf beslist om die rol al dan niet te willen vervullen. In de pragmatische insteek van de Nederlandse rechtspleging is weinig behoefte om een individu te verplichten tot het vervullen van een rol als deskundige in een rechtszaak. Pas na de benoeming kunnen daartoe voor een deskundige verplichtingen ontstaan. (22) Hierbij past dat het de deskundige zelf is die al dan niet ervoor kiest om een verzoek tot inschrijving in een deskundigenregister te doen en daarmee te laten beoordelen of de deskundige voldoet aan de criteria om ingeschreven te zijn in dat register.
Een vraag was of deskundigen vervolgens met naam en toenaam in een openbaar register op internet zouden komen te staan. Het besef groeide dat voor deskundigen, partijen en de rechter transparant behoort te zijn wie bereid en geschikt is om een rol als deskundige in de rechtspleging te vervullen, en dat die transparantie is gerelateerd aan het beginsel van openbaarheid van rechtspraak. Destijds was de Algemene Verordening Gegevensbescherming er nog niet, maar onder de toen geldende regelgeving op basis van Richtlijn 95/46/EG (23) was duidelijk dat deze openbaarheid van het register in balans zou moeten zijn met de bescherming van persoonsgegevens van deskundigen.
22. Art. 51j lid 1 Sv bepaalt dat een ieder die tot deskundige is benoemd, verplicht is de door de rechter opgedragen diensten te bewijzen. Art. 190 lid 1 Rv bepaalt dat de deskundige die de benoeming heeft aanvaard, verplicht is de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen.
23. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.
Vijftien jaar later
De ontwikkelingen sinds de inwerkingtreding van de regelgeving over het NRGD vallen niet binnen het bestek van deze bijdrage. In relatie tot het voorgaande maak ik slechts enkele opmerkingen over de stand van zaken eind 2025.
Vijftien jaar later is er op het gebied van de toegang tot een deskundigenregister in het strafrecht veel gerealiseerd. De website van het NRGD toont de deskundigheidsgebieden waarvoor registratie inmiddels plaatsvindt en bevat informatie over de verdere ontwikkeling van het register.
Wat de informatievoorziening voor deskundigen betreft, bieden de website van het NRGD en van andere registerinitiatieven zoals het LRGD de nodige informatie. Ook een website van de Rechtspraak bevat tegenwoordig verzamelde informatie voor deskundigen, zoals gedragscodes, beleidsregels van de Rechtspraak, richtlijnen en formulieren. (24) Naar mijn indruk was vijftien jaar geleden een deel van deze informatie nog niet ontwikkeld en was centrale toegang tot zulke informatie voor deskundigen minder eenvoudig.
Niet veranderd lijkt dat er nauwelijks openbare informatie is over de mate waarin deskundigen in de rechtspleging worden ingezet, of over de aard en inhoud van de zaken waarin dat geschiedt. Misschien is daar eenvoudigweg geen behoefte aan. In het jaarverslag van de Rechtspraak over 2024 wordt melding gemaakt van diverse capaciteitsproblemen in de beschikbaarheid van deskundigen, bij zowel uitvoeringsorganisaties als deskundigen zelf. Er wordt op gewezen dat de tekorten slecht zijn voor rechtzoekenden en tot gevolg hebben dat de (rechts)keten tegen zijn grenzen aanloopt. (25)
24. 'Deskundige in een rechtszaak?'
25. Jaarverslag Rechtspraak 2024, p. 16‑18.
Op naar een volgende tussenstand
Kansen?
Het NRGD neemt inmiddels een solide en gewaardeerde eigen plaats in op het veld waarop juristen en deskundigen betrokken zijn bij een behoorlijke strafrechtspleging. Bezien vanuit de ervaringen en ontwikkelingen tot nu toe met kwaliteitsborging en registratie van deskundigen in de rechtspleging, lijkt er in bredere zin nog genoeg te doen. Hierna stip ik wat punten aan die wellicht kansen bieden voor toekomstige verbeteringen of verdere ontwikkeling van een behoorlijke rechtspleging in zaken waarin met inbreng van deskundigen wordt beslist.
Verbreding van het NRGD?
Het streven om toe te werken naar een verbreding van één deskundigenregister voor de gehele rechtspleging26 is niet verlaten, (27) maar heeft nog niet tot overheidsregulering geleid. Het NRGD vermeldt in zijn jaarverslag 2024 dat op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is onderzocht hoe het register zou kunnen bijdragen aan de kwaliteitsborging van mediators, en dat dit een belangrijke stap kan zijn in de richting van een breder kwaliteitsregister ten dienste van de gehele rechtspraak. (28)
Het is begrijpelijk dat wordt nagegaan of het weloverwogen systeem dat voor kwaliteitsborging via het NRGD is opgezet, breder kan worden benut. Er is ook een maatschappelijk belang dat voor het beroep van mediator, mede op basis van publieke verantwoordelijkheid voor conflictoplossing, een vergelijkbaar systeem voor registratie van mediators tot stand kan komen. Het is naar mijn idee echter juridisch en maatschappelijk moeilijk uit te leggen dat een verbreding van het NRGD met registratie van deskundigen die een rol vervullen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtspraak, ondergeschikt zou worden aan een wens om het NRGD te belasten met de registratie van geheel andere beroepsbeoefenaars, zoals mediators. De eerstgenoemde groep van deskundigen valt immers zonder meer binnen de wettelijke doelstelling van kwaliteitsborging en registratie van deskundigen met een rol in rechtspraak. Ten aanzien van mediators ligt dat minder voor de hand.
Daarbij valt te bedenken dat de benodigde regelgeving voor verbreding van het NRGD met registratie van deskundigen die een rol vervullen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtspraak beperkt lijkt te kunnen zijn. Het zal qua regelgeving voornamelijk gaan om toevoeging van een bepaling vergelijkbaar met artikel 51k Sv aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht, en aanpassing van het Besluit register deskundige in strafzaken ten behoeve van de werking ervan in andere zaken dan strafzaken. Een belangrijke praktische eerste stap naar een geleidelijke en passende uitbreiding van het NRGD met deskundigen die rapporteren in civiele en bestuurlijke zaken is al gezet met de erkenning van de opleiding van de NVMSR voor medisch deskundigen. (29)
De zin van toevoeging van kwaliteitswaarborging van deskundigenrapporten in civiele en bestuursrechtelijke zaken aan het NRGD, voortbouwend op de ervaringen en resultaten met betrekking tot het register voor deskundigen in strafzaken, valt wellicht nader te illustreren met een aspect van de aanpak van zaken over schade na gaswinning in Noord-Nederland. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft een eigen regeling gemaakt voor het stellen van eisen aan deskundigen bij de afwikkeling van schade gerelateerd aan gaswinning. (30) Het doel ervan is de totstandkoming van een lijst van deskundigen, vooral op basis van opleiding en werkervaring, bij het instituut dat de zaken behandelt. Het lijkt erop dat in de regeling geen verband wordt gelegd met de kennis en ervaring die is opgedaan met kwaliteitsborging en registervorming in de afgelopen decennia. De toelichting op de regeling duidt erop dat wordt getracht voor een specifiek aandachtsgebied onderwerpen te regelen die al meer generiek zijn geregeld, zoals in het Besluit register deskundige in strafzaken, en waarmee ervaring is opgedaan in de ontwikkelingen die het NRGD heeft doorgemaakt, zoals integriteit, onafhankelijkheid, deskundigheid en zorgvuldigheid. (31) Het aanleggen van een lijst van deskundigen op basis van opleiding en ervaring door een instituut dat de zaken behandelt waarin de deskundigen zullen adviseren, is een handelwijze die teruggaat op oude gebruiken. Zij gingen vooraf aan de gedachtevorming over het belang van registerontwikkeling met behulp van geobjectiveerde toetsing of erkenningscriteria. Er kan een goede reden zijn om terug te vallen op die gebruiken om te bepalen wie in aanmerking komt om te adviseren tegen een vergoeding. Uit een oogpunt van een efficiënte rechtspleging tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten, ligt het voor de hand dat dan in de toelichting op de regeling zou worden vermeld waarom de kennis en ervaring die in de afgelopen decennia is opgedaan met kwaliteitsborging van deskundigen hier niet behoeft te worden benut. Het rapport Groningers boven gas uit 2023 van de Parlementaire enquêtecommissie gaswinning Groningen vermeldt dat al in 2020 tegenover elke euro die aan schadevergoeding werd uitgekeerd, voor 56 cent aan uitvoeringskosten werd gemaakt, dat dit in 2021 was opgelopen tot 74 cent voor iedere uitgekeerde euro en dat een groot deel van de uitvoeringskosten bestaat uit kosten voor de inzet van deskundigen. (32) Een voor de hand liggende vraag is dan of de schadevergoeding voor een groter deel bij de benadeelden zou kunnen terechtkomen als bij de afwikkeling van gaswinningsschade deskundigen zouden kunnen worden ingezet die toegang hebben tot een openbaar deskundigenregister dat voldoet aan de eisen van een regeling zoals die al geldt voor strafzaken.
26. Zie over een deskundigenregister dat alle rechtsgebieden kan bestrijken ook: M. Visser, De deskundige in het recht (diss. OU), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2023.
27. NRGD Zoek een deskindige, civiel & bestuur; NRGD jaarverslag 2024.
28. NRGD jaarverslag 2024.
29. Erkenning opleiding NVMSR
30. Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 januari 2026, nr. 2025‑0000692715, tot wijziging van de Regeling Tijdelijke wet Groningen in verband met het vaststellen van de eisen voor adviseurs en enige andere wijzigingen, Stcrt. 2026, 2049.
31. Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 januari 2026, nr. 2025‑0000692715, tot wijziging van de Regeling Tijdelijke wet Groningen in verband met het vaststellen van de eisen voor adviseurs en enige andere wijzigingen, Stcrt. 2026, 2049.
32. Groningers Boven Gas, p. 100.
Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging?
Een kans die in de afgelopen jaren is gecreëerd en bij mijn weten nog niet is benut, is opgenomen in de Experimentenwet rechtspleging. (33) Artikel 5 van die wet maakt het mogelijk om een experiment in te richten waarin een deskundige kan worden toegevoegd aan een enkelvoudige of meervoudige kamer van een rechtbank, of aan een meervoudige kamer van een gerechtshof. Die deskundige is geen rechterlijk ambtenaar, maar wordt toegevoegd als deskundig lid. De deskundige heeft dan dus geen adviserende taak, zoals normaal gesproken het geval is bij benoeming van een deskundige door de rechter, maar draagt samen met de rechterlijke ambtenaren verantwoordelijkheid voor de beslissing van de zaak. De bedoeling hiervan is om te vermijden ‘dat er op basis van het bewijsrecht een of meer deskundigen moeten worden benoemd, met alle processuele complicaties van dien’. (34)
Het verdient wellicht overweging of er zaakstypen zijn waarin met een dergelijk experiment kan worden onderzocht of iets valt te doen aan de ‘deskundigenschaarste’, waarvoor het jaarverslag 2024 van de Raad voor de rechtspraak aandacht vraagt. Misschien is bijvoorbeeld na te gaan of aan een knelpunt in de toepassing van artikel 810a lid 2 Rv via zo’n experiment tegemoet kan worden gekomen. Deze bepaling is bedoeld om ouders en kinderen een kans op tegenspraak en rechtsbescherming te bieden aan de hand van een deskundigenrapport dat op hun verzoek door de rechter wordt gelast, in zaken over ondertoezichtstelling of de beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij. In 2023 is in ‘Recht doen aan kinderen en ouders. Rapport van de reflectiecommissie familie-en jeugdrechters van de rechtbanken en de gerechtshoven’ (35) uiteengezet dat de toepassing van artikel 810a lid 2 Rv wordt bemoeilijkt door schaarste in de beschikbaarheid van deskundigen en door tijdsverloop. De gebruikelijke doorlooptijd van de totstandkoming van een rapport kan in het geval van opgroeiende minderjarigen tot gevolg hebben dat een rapport al niet meer voldoende actueel is als in de zaak wordt beslist. Zou aan een wens van ouders om tegenspraak te leveren tegen voorhanden informatie, tegemoet kunnen worden gekomen door de aanwezigheid van een deskundige naast de rechter, die ouders het vertrouwen kan geven dat de voorhanden informatie in samenspraak met hen kritisch en deskundig wordt beschouwd? Zou hiermee een alternatief voor de (mogelijk aanzienlijk meer capaciteit in beslag nemende) route van artikel 810a lid 2 Rv te ontwikkelen zijn? Zo zou wellicht de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging toegevoegde waarde kunnen hebben om knelpunten in de toepassing van artikel 810a lid 2 Rv aan te pakken.
33. Stb. 2020, 223.
34. Kamerstukken II 2018/19, 35263, nr. 3, p. 46.
35. Recht doen aan kinderen en ouders.
Tot besluit
Het symposium ‘Forensische kwaliteit in een veranderend veld’ bracht velen samen die zich verbonden voelen met het werk van juristen en deskundigen aan een behoorlijke rechtspleging. Het was een gedenkwaardig moment voor de uitwisseling van kennis en ervaring gericht op het waarborgen van een eerlijk proces in rechtszaken. Ook in de toekomst zullen ontmoetingen en uitwisselingen hopelijk velen inspireren tot betrokkenheid bij het belang van mensen en organisaties dat hun rechten en plichten door de rechter worden vastgesteld met optimaal gebruik van informatie van deskundigen.
Dineke de Groot: Prof. mr. G. de Groot is president van de Hoge Raad der Nederlanden en bijzonder hoogleraar Rechtspraak en conflictoplossing aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Dit artikel verscheen in Expertise en Recht, Afl. 3 – mei 2026